Feiten in plaats van aannames: nieuw inzicht in CO₂‑uitstoot recreatievaart
Hoe groot is de CO₂‑uitstoot van de recreatievaart in Nederland nu écht? En waar zitten de grootste verduurzamingskansen? Die vragen stonden centraal in een nieuw onderzoek van het Centre for Sustainability, Tourism and Transport (CSTT) van Breda University of Applied Sciences, uitgevoerd door Eke Eijgelaar in opdracht van Waterrecreatie Nederland, met ondersteuning van HISWA-RECRON en CELTH.
Aanleiding voor het onderzoek was de behoefte aan een betrouwbare nulmeting van brandstofgebruik en CO₂‑emissies van recreatievaartuigen. “De gegevensbasis hierover was heel beperkt. Er werd in beleid en rapportages veel gewerkt met grove aannames en sterk verouderde cijfers,” zegt Eijgelaar. “Terwijl de sector juist volop bezig is met verduurzaming en behoefte heeft aan een realistisch uitgangspunt.”
Van modellen naar daadwerkelijk verbruik
Wat dit onderzoek onderscheidt van eerdere studies, is de bottom‑up aanpak. In plaats van emissies te berekenen op basis van gemiddelde motorvermogens en geschatte vaaruren, zijn de cijfers gebaseerd op zelf gerapporteerd, feitelijk brandstofverbruik van gebruikers. In totaal vulden 819 recreatievaarders een uitgebreide enquête in over vaarseizoen 2023, waarvan de resultaten zijn geanalyseerd voor kajuitzeilboten, kajuitmotorboten en sloepen.
“Het grootste verschil is dat we CO₂‑emissies hebben berekend op basis van de liters brandstof die mensen daadwerkelijk zeggen te hebben gebruikt,” aldus Eijgelaar. “Dat maakt het mogelijk om technische modellen eens naast de praktijk te leggen.”
Een tweede vernieuwend element is dat ook het vervoer van en naar de boot is meegenomen. Vanuit eerdere toerisme‑ en mobiliteitsstudies wist Eijgelaar dat deze ‘aan‑ en afreis’ een aanzienlijk deel van de totale voetafdruk kan vormen. “Alleen het varen is niet de hele trip,” benadrukt hij. “Voor sommige groepen bleek de uitstoot van het vervoer bijna net zo groot als die van het varen zelf.”
Grote verschillen tussen en binnen vaartuigtypen
De resultaten laten zien dat de totale CO₂‑uitstoot sterk verschilt per type vaartuig. Kajuitmotorboten veroorzaken gemiddeld verreweg de meeste uitstoot, vooral door hun hogere motorvermogens en grotere aantallen motoruren. Bij kajuitzeilboten en sloepen ligt de uitstoot aanzienlijk lager. Bij kajuitzeilboten speelt het vervoer naar de ligplaats relatief een grotere rol; bij sloepen juist weer minder.
Opvallend is ook de enorme spreiding binnen de groepen. “Je ziet dat een beperkt aantal veelvaarders en grootverbruikers uitstootgemiddeldes flink omhoog trekken,” zegt Eijgelaar. “Als je enkele uitschieters uit het bestand haalt, daalt de gemiddelde uitstoot meteen fors. Dat lijkt sterk op wat we kennen uit de luchtvaart: een kleine groep vervliegers zorgt voor een groot deel van de emissies.”
Handvatten voor beleid en monitoring
Het onderzoek is nadrukkelijk geen eindpunt. Eijgelaar ontwikkelde voor Waterrecreatie Nederland een eenvoudig rekenmodel waarmee de sector de komende jaren zelf het brandstofgebruik en de uitstoot kan blijven monitoren. “In principe hoef je mensen alleen nog te vragen hoeveel liter brandstof ze hebben gebruikt en welk type brandstof,” zegt hij. “Dan kun je heel makkelijk trends volgen en beleid evalueren.”
Volgens Eijgelaar biedt het onderzoek daarmee vooral een stevige kennisbasis voor vervolgstappen. Niet alleen voor verdere monitoring, maar ook voor vragen als: waar liggen de meeste verduurzamingskansen, welke groepen gebruikers moet je benaderen, en welke rol spelen alternatieve brandstoffen of gedragsverandering?
“We weten we nu veel over de uitstoot zelf,” concludeert hij. “De volgende stap is kijken: wat staat een snellere verduurzaming van de recreatievaart in de weg, en hoe kunnen we die barrières wegnemen? Daar ligt een mooie rol voor CELTH en CSTT.”
Download het rapport via de projectpagina