Blogs
Organiserend vermogen 6 min read

Het recht om te reizen moet in balans zijn met het recht om te wonen

Tijdens het afsluitende panel van het European Sustainable Tourism Mobility Forum 2026 werd de discussie concreet en soms urgent. Onder leiding van Karen Vancluysen (Polis) gingen Europese beleidsmakers, steden, regio’s en belangenorganisaties in gesprek over een van de lastigste vraagstukken: hoe organiseer je toeristische mobiliteit zó dat steden leefbaar blijven? De rode draad: toerisme en mobiliteit zijn te lang los van elkaar ontwikkeld en dat begint nu te wringen.

Van promotie naar beheer

Moderator Vancluysen zette meteen scherp neer waar het om draait. “Toerisme legt een enorme druk op transportsystemen in steden en regio’s,” stelde ze. “Maar het kan ook een katalysator zijn voor verandering voor beter openbaar vervoer, herinrichting van publieke ruimte en versnelling van duurzame mobiliteit.” Volgens haar vraagt dat om een fundamentele omslag: “We hebben geïntegreerde strategieën nodig waarin toerisme en mobiliteit samen worden aangepakt, in plaats van in afzonderlijke silo’s.”

Dat perspectief werd krachtig bevestigd door José Antonio Donaire, verantwoordelijk voor duurzaam toerisme in Barcelona. Zijn stad staat internationaal symbool voor de keerzijde van toeristische groei. “Onze focus ligt niet langer op méér bezoekers aantrekken, maar op het beheersen van de impact op de stad en het dagelijks leven.”

Geen groei meer, wel betere spreiding

Barcelona heeft volgens Donaire al harde maatregelen genomen. “In 2017 hebben we de capaciteit voor toeristische accommodaties bevroren. Er komen geen extra bedden meer,” legde hij uit. “En tegen 2028 verdwijnen alle licenties voor toeristische appartementen.” Maar dat blijkt niet voldoende. “Het aantal overnachtingen stabiliseert, maar dagjesmensen en cruisepassagiers blijven groeien,” waarschuwde hij. “We ontvangen jaarlijks 15 miljoen toeristen, waaronder 4 miljoen cruisepassagiers en 7 miljoen dagjesmensen.”

Daarmee wordt mobiliteit een cruciaal sturingsinstrument. “Transport is niet alleen een middel om mensen naar de stad te brengen,” benadrukte Donaire. “Het is vooral een instrument om bezoekers beter te spreiden en druk te verminderen.” Een concreet voorbeeld is het systeem Zona Bus 4.0. “Touringcars moeten zich registreren, betalen en hun route vooraf opgeven,” aldus Donaire. “Een algoritme bepaalt wanneer en waar ze mogen stoppen. Zo kunnen we de druk actief reguleren.” Zijn conclusie is scherp: “Het gaat er niet meer om hoeveel toeristen we aantrekken, maar hoe we samenleven met de toeristen die er zijn.”

Europese strategie: integratie en gebruiksgemak

Vanuit de Europese Commissie bevestigde Isabelle Vandoorne (DG MOVE) dat deze inzichten worden meegenomen in de nieuwe Europese strategie. “De kern is integratie,” zei ze. “We moeten toerisme opnemen in stedelijke mobiliteitsplanning, niet als een apart thema benaderen.” Dat betekent volgens haar concrete verbeteringen voor reizigers:

  • Betere fysieke toegang tot bestemmingen
  • Duidelijkere informatie, bijvoorbeeld over toegangsregels in steden
  • Eenvoudiger ticketing voor verschillende vervoersmiddelen

“Een toerist moet zich eenvoudig kunnen verplaatsen met duurzame vervoersopties,” aldus Vandoorne. “Dat vraagt om betere informatie en gebruiksvriendelijke systemen.” Tegelijkertijd temperde ze verwachtingen over harde EU-regels. “We moeten de subsidiariteit respecteren. Steden hebben hun eigen bevoegdheden,” zei ze. “Maar we kunnen wel ondersteunen met instrumenten en vooral met stimulansen.” Opvallend daarbij is haar voorkeur voor zachte sturing. “We zien dat prikkels en incentives vaak effectiever zijn dan beperkingen,” stelde ze.

Prikkels werken: voorbeelden uit Normandië

Die benadering werd concreet gemaakt door Emilie Ursule van Normandie Tourisme. Haar regio laat zien dat samenwerking tussen mobiliteit en toerisme werkt – mits die goed wordt georganiseerd. “Vijf jaar geleden zijn we begonnen met het samenbrengen van beide sectoren,” vertelde ze. “Gewoon door mensen bij elkaar te zetten en elkaars uitdagingen te bespreken.”

Dat leidde snel tot concrete projecten, zoals een speciale buslijn voor de D-Day-herdenkingen. “Die lijn is elk jaar verbeterd en draait nu structureel in de zomer,” aldus Ursule. “Het succes komt doordat we echt samen hebben gewerkt en de behoeften van bezoekers hebben gekoppeld aan mobiliteitsoplossingen.” Daarnaast ontwikkelde de regio een opvallend incentive-programma. “We bieden een ‘low-carbon tarief’: korting bij meer dan 140 attracties voor bezoekers die met trein, bus of fiets komen,” zei ze. “Het aantal deelnemers en gebruikers groeit elk jaar.” Volgens Ursule is dat de sleutel. “Informatie en incentives zijn cruciaal. Mensen kiezen sneller voor duurzame opties als het makkelijk én aantrekkelijk is.”

Fiets als verbindende factor

Een opvallende rol in het debat was weggelegd voor de fiets. Agathe Daudibon (European Cyclists’ Federation) maakte duidelijk dat fietstoerisme allesbehalve een niche is. “Fietsen is een van de beste vormen van transport,” stelde ze. “En 24% van de Europeanen fietst wekelijks en daarmee is het potentieel enorm.”

Volgens haar zit de kracht juist in de dubbele rol van de fiets. “Eenzelfde infrastructuur kan zowel toeristen als dagelijkse gebruikers bedienen,” legde ze uit. “Op de Donau-fietsroute is een derde van het gebruik afkomstig van lokale fietsers.” En omgekeerd werkt het ook. “Fietssnelwegen in Nederland worden in het weekend intensief gebruikt voor recreatie,” zei ze. “Mobiliteit en toerisme versterken elkaar.”

Daarom pleit ze voor een integrale benadering. “Zie fietsen zowel als volwaardig vervoermiddel als toeristische activiteit,” aldus Daudibon. “Het helpt om toerisme beter te spreiden én biedt duurzame mobiliteit.”

Toerist als ‘tijdelijke inwoner’

Een belangrijk concept dat meerdere panelleden onderschreven, is het idee om toeristen als ‘tijdelijke inwoners’ te behandelen. “We moeten toeristen benaderen zoals bewoners,” stelde Vandoorne. “Als we mobiliteit goed organiseren voor inwoners, profiteren bezoekers automatisch.” Dat vraagt om een andere manier van plannen, waarin stedelijke, regionale en landelijke mobiliteit voor zowel bewoners als toeristen beter op elkaar aansluiten.

Onverenigbare rechten?

Aan het einde van het debat bracht Donaire het gesprek terug naar de kern. “Het recht om vrij te reizen binnen Europa is belangrijk,” zei hij. “Maar dat moet in balans zijn met het recht van bewoners om in hun stad te kunnen blijven wonen.” Die spanning is volgens hem reëel. “Soms botst het verblijf van bezoekers met het leven van bewoners,” stelde hij. “Daar moeten we eerlijk over zijn.”

En ook de klimaatimpact is niet te negeren. “Toeristen genereren in Barcelona drie miljoen ton CO₂,” zei hij. “Maar het transport van toeristen naar de stad veroorzaakt zelfs negen miljoen ton per jaar. Bovendien gebruiken ze per capita veel meer energie en water” Daarmee werd pijnlijk duidelijk hoe groot de opgave is.

Conclusie: steden aan het stuur

Het slotpanel maakte duidelijk dat de toekomst van duurzaam toerisme niet alleen afhangt van technologie of infrastructuur, maar vooral van keuzes.

  • Steden moeten actief sturen op bezoekersstromen
  • Europa moet faciliteren met strategie, data en middelen
  • Regio’s moeten samenwerken over sectoren heen
  • En reizigers moeten verleid worden tot duurzamere keuzes

Of, zoals Vancluysen het samenvatte: toerisme kan alleen duurzaam worden als mobiliteit integraal wordt meegenomen. En zoals Donaire het scherp stelde: “Het recht om in de Europese Unie vrij te kunnen reizen moet wel verenigbaar zijn met het recht om in je eigen stad te kunnen wonen.”